1

Zinnenmaken (o.t.t. en o.v.t.)
Uitleg Zinnen maken
1. Bevestigende zinnen
Wie (De jongen) — Werkwoord (eet / at) — Wat (een appel)

Vraagzinnen

Werkwoord (Eet / at) — Wie (de jongen) — Wat (een appel) —

Zinnen 1

2. Bevestigende zinnen
Wie (De jongen) — Werkwoord (eet / at) — Wat (een appel) — Waar (in de klas.)

Vraagzinnen

Werkwoord (Eet / at) — Wie (de jongen) — Wat (een appel) — Waar (in de klas?)

Zinnen 2

3. Bevestigende zinnen
Wie (De jongen) — Werkwoord (eet / at) — Bij,w / Bijv,nw (vaak) — Wat (een appel) — Waar (in de klas.)

Vraagzinnen

Werkwoord (Eet / at) — Wie (de jongen) — Bij,w / Bij,vnw (Rode) — Wat (een appel) — Waar (in de klas?)

Zinnen 3

4. Bevestigende zinnen
Wie (De jongen) — Werkwoord (eet / at) — Wanneer (vandaag) — Bij,w / Bijv,nw (rode) — Wat (een appel) — Waar (in de klas.)

Vraagzinnen

Werkwoord (Eet / at) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Bij,w / Bijv,nw (rode) — Wat (een appel) — Waar (in de klas?)

Zinnen 4

5. Bevestigende zinnen
Wie (De jongen) — Werkwoord (eet / at) — Wanneer (vandaag) — Bij,w / Bijv,nw (rode) — wat (een appel) — Bz vnw. / Waar (in zijn klas.)

Vraagzinnen

Werkwoord (Eet / at) — Wie (De jongen) — Wanneer (vandaag) — Bij,w / Bijv,nw (rode) — wat (een appel) — Bz vnw. / Waar (in zijn klas?)

Zinnen 5