2
Zinnenmaken (o.t.t. en o.v.t.)| 1. Bevestigende zinnen Wie (De jongen) — Werkwoord (eet / at) — Waar (in de klas) Vraagzinnen Werkwoord (Eet / at) — Wie (de jongen) — Waar (in de klas?) Zinnen 1 ≡ 2. Bevestigende zinnen Wie (De jongen) — Werkwoord (eet / at) — Waar (in de klas) — Wat (een appel). Vraagzinnen Werkwoord (Eet / at) — Wie (de jongen) — Waar (in de klas) — Wat (een appel?) Zinnen 2 ≡ 3. Bevestigende zinnen Wie (De jongen) — Werkwoord (eet / at) — Bij,w / Bijv,nw (vaak) — Waar (in de klas) — Wat (een appel.) Vraagzinnen Werkwoord (Eet / at) — Wie (de jongen) — Bij,w / Bijv,nw (vaak) — Waar (in de klas) — Wat (een appel?) Zinnen 3 ≡ 4. Bevestigende zinnen Wie (De jongen) — Werkwoord (eet / at) — Wanneer (vandaag) — Waar (in de klas) — Bij,w / Bijv,nw (rode) — Wat (een appel.) Vraagzinnen Werkwoord (Eet / at) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Waar (in de klas) — Bij,w / Bijv,nw (rode) — Wat (een appel?) Zinnen 4 ≡ 5. Bevestigende zinnen Wie (De jongen) — Werkwoord (eet / at) — Wanneer (vandaag) — Bz vnw. / Waar (in zijn klas.) Bij,w / Bijv,nw (rode) — Wat (een appel.) Vraagzinnen Werkwoord (Eet / at) — Wie (De jongen) — Wanneer (vandaag) — Bz vnw. / Waar (in zijn klas.) Bij,w / Bijv,nw (rode) — Wat (een appel?) Zinnen 5 ≡ |