3
Zinnenmaken (o.t.t. en o.v.t.)| 1. Bevestigende zinnen Wanneer (Morgen) — Werkwoord (eet / at) — Wie (de jongen.) Vraagzinnen Werkwoord (eet / at) — Wie (de jongen) — Wanneer (morgen?) Zinnen 1 ≡ 2. Bevestigende zinnen Wanneer (Morgen) — Werkwoord (eet / at) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel) — wat (een appel.) Vraagzinnen Werkwoord (eet / at) — Wie (de jongen) — Wanneer (morgen) — Bij.w (wel) — wat (een appel?) Zinnen 2 ≡ 3. Bevestigende zinnen Wanneer (morgen — Werkwoord (eet / at) — Wie (de jongen) — Wanneer/Tijd (in de pauze) — Bij.w (wel) — wat (een appel.) — Waar (in de klas.) Vraagzinnen Werkwoord (eet / at) — Wie (de jongen) — Wanneer (morgen) — Wanneer/Tijd (in de pauze) — Bij.w (wel) — wat (een appel) — Waar (in de klas?) Zinnen 3 ≡ 4. Bevestigende zinnen Wanneer (gisteren) — Werkwoord (eet / at) — Wie (de jongen) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (geen) — Bijv.nw (rode) — wat (een appel.) — Waar (in de klas.) Vraagzinnen Werkwoord (eet / at) — Wie (de jongen) — Wanneer (gisteren) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (geen) — Bijv.nw (rode) — wat (een appel) — Waar (in de klas?) Zinnen 4 ≡ 5. Bevestigende zinnen Wanneer (Gisteren) — Werkwoord (at) — Wie (de jongen) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (geen) — Bijv.nw (rode) — Wat (appel) — Waar (in zijn klas.) Vraagzinnen Werkwoord (eet / at) — Wie (de jongen) — Wanneer (gisteren) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (geen) — Bijv.nw (rode) — Wat (appel) — Bz.vnw / Waar (in zijn klas?) Zinnen 5 ≡ |