4
Zinnenmaken (o.t.t. en o.v.t.) Willen en moetenHier worden de hutselzinnen van TN2 op een andere manier geschreven.
Let op!!! Dit is een tussenstap naar de voltooide tijd. Dit betekent dat we hier nog geen voltooide tijd gebruiken
| 1. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (Moet / wil) — Actie ww. (eten.) Vraagzinnen Hulp. ww (Moet / Wil) — Wie (de jongen) — Actie ww. (eten?) Zinnen 1 ≡ 2. Bevestigende zinnen. wie (De jongen) — Hulp. ww (wil / moet) — Wat (een appel) — Waar (in de klas.) — Actie ww. (eten.) Vraagzinnen Hulp. ww (wil / moet) — Wie (de jongen) — Wat (een appel) — Waar (in de klas) — Actie ww. (eten?) Zinnen 2 ≡ 3. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (wil / moet)— Wanneer/Tijd (in de pauze) — wat (een appel.) — Waar (in de klas.) — Actie ww. (eten.) Vraagzinnen Hulp. ww (wil / moet) — Wie (de jongen) — Wanneer/Tijd (in de pauze)<— Wat (een appel) — Waar (in de klas) — Actie ww. (eten?) Zinnen 3 ≡ 4. Bevestigende zinnen. wie (De jongen) — Hulp. ww (Moet / wil) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (wel) — Bijv.nw / Wat (een groene appel) — Waar (in de klas.) — Actie ww. (eten.) Vraagzinnen Hulp. ww (Moet /wil) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (wel) — Bijv.nw/ wat (een groene appel) —— Waar (in de klas?) — Actie ww. (eten?) Zinnen 4 ≡ 5. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (Moet / wil) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (geen) — Bz.vnw / Wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas.) Vraagzinnen Hulp. ww (Moet / wil) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (wel) — Bz.vnw / wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas?) — Actie ww. (eten?) Zinnen 5 ≡ |