5
Zinnenmaken (o.t.t. en o.v.t.) hebben en hadden| Het verschil met het hulp.ww hebben en hadden De samenwerking met het voltooid deelwoord Net als zijn en waren werken hebben en hadden heel vaak samen met een voltooid deelwoord (woorden met ge-, be-, ver- Zoals gehad, gegeven, vergeleken, beleefd. Hebben = Nu (tegenwoordige tijd). Het is een bezit of iets wat je gaat geven. • Bezit nu: Ik heb een nieuwe auto. • Geven nu: Ik heb een appel voor jou. - Jij hebt mij een appel gegeven. Hadden = Toen (verleden tijd). Het was vroeger een bezit of iets wat je toen ging geven. • Bezit toen: Ik had een appel voor jou. • Geven toen: Ik had gisteren een appel voor jou. - Ik had van jou gisteren een appel gekregen. |
| 1. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Bij.w (wel / niet) — Voltooid woord (gegeten?) Vraagzinnen Hulp. ww (Heeft / had) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet) — Voltooid woord (gegeten?) Zinnen 1 ≡ 2. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Bij.w (wel / geen) — Wat (een appel) — Voltooid woord (gegeten?) Vraagzinnen Hulp. ww (Heeft / had) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / geen) —Wat (een appel) — Voltooid woord (gegeten?) Zinnen 2 ≡ 3. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel / geen) — Wat (een appel) — waar (in de klas) — Voltooid woord (gegeten?) Vraagzinnen Hulp. ww (Heeft / had) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel / geen) —Wat (een appel) — Waar (in de klas) — Voltooid woord (gegeten?) Zinnen 3 ≡ 4. Bevestigende zinnen. wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Wanneer / tijd (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel / geen) — Bijv.nw / Wat (een groene appel) — Waar (in de klas.) — Voltooid woord (gegeten?) Vraagzinnen Hulp. ww (heeft / had) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel / geen) — Bijv.nw/ wat (een groene appel) —— Waar (in de klas?) — Voltooid woord (gegeten?) Zinnen 4 ≡ 5. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Wanneer / tijd (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel / niet) — Bz.vnw / Wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas.) — Voltooid woord (gegeten?) Vraagzinnen Hulp. ww (heeft / had) — Wie (de jongen) — Wanneer / tijd (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel /niet) — Bz.vnw / wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas?) — Voltooid woord (gegeten?) Zinnen 5 ≡ |