6
Zinnenmaken (o.t.t. en o.v.t.) zijn en waren| Het verschil met zijn en waren Zijn en waren werken in de taal heel vaak samen met een voltooid deelwoord. Dit zijn woorden die vaak beginnen met ge-, be- of ver-, zoals gegeten, gelopen, gebleven of vergeleken. Zijn = Het gaat over: mensen, dieren, planten en dingen. 1. Zijn = Hoe het nu is. • Voorbeeld: De kinderen zijn jong - De huisdieren zijn lief - De planten zijn groen - De kasten zijn nieuw. 2. Zijn geweest = Nu net, heel kort geleden. • Voorbeeld: De kinderen zijn jong geweest - De huisdieren zijn lief geweest - De planten zijn groen geweest - De kasten zijn nieuw geweest. Waren = Het gaat over: mensen, dieren, planten en dingen. 1. Waren = Hoe het toen was. • Voorbeeld: De kinderen waren jong - De huisdieren waren lief - De planten waren groen - De kasten waren nieuw. 2. Waren geweest = Op de dag zelf, of al veel eerder (langer geleden). • Voorbeeld: De kinderen waren jong geweest - De huisdieren waren lief geweest - De planten waren groen geweest - De kasten waren nieuw geweest. |
| 1. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (is / was) — Bij.w ( er wel / niet) — Voltooid woord (geweest?) Vraagzinnen Hulp. ww(is / was) — Wie (de jongen) — Bij.w (er wel / niet) — Voltooid woord (geweest?) Zinnen 1 ≡ 2. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (is / was) — Bij.w (wel / niet) — waar (in de klas) — Voltooid woord (geweest.) Vraagzinnen Hulp. ww (is / was) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet) — waar (in de klas) — Voltooid woord (geweest?) Zinnen 2 ≡ 3. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (is / was) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel / niet) — waar (in de klas) — Voltooid woord (geweest?) Vraagzinnen Hulp. ww (is / was) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel / niet) — Waar (in de klas) — Voltooid woord (geweest?) Zinnen 3 ≡ 4. Bevestigende zinnen. wie (De jongen) — Hulp. ww (is / was) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel / niet) — Waar (in de klas.) — Voltooid woord (geweest) Vraagzinnen w.w (is / was) — Wie (de jongen) — Wanneer/ tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel / niet) — Waar (in de klas) — Voltooid woord (geweest?) Zinnen 4 ≡ 5. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (is / was) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel / niet) — Bz.vnw / wie / Wat (zijn zusje) — Waar ( naar de klas.) — Voltooid woord (gegaan) Vraagzinnen Hulp. ww (is / was) — Wie (de jongen) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel /niet) — Bz.vnw / wie / wat (zijn zusje) — Waar (naar de klas) — Voltooid woord (gegaan?) Zinnen 5 ≡ |