7

Verplichte oefeningen: Zinnen maken met modale werkwoorden.
Met willen en mogen in enkelvoud en meervoud.
Het verschil met willen en mogen

Willen = Een wens of een plannetje. Je kiest het zelf.
Willen en moeten werken echt samen. Ze versterken elkaar!
Voorbeeld: Ik wil het hebben, omdat ik het moet hebben!

Mogen = Toestemming. Een ander (of de wet) geeft je toestemming of de ruimte om het te doen.
Mogen werkt mooi samen met hoeven.
Voorbeeld: Je mag zwemles nemen, maar je hoeft het niet te doen.
1. Bevestigende zinnen.
Wie (De jongen) — mod. ww (wil / mag) — Bij.w (wel / niet.)

Vraagzinnen
Mod. ww(wil / mag) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet?) —

Zinnen 1

2. Bevestigende zinnen.
Wie (De jongen) — mod. ww (wil / mag) — Bij.w (wel / niet) — waar (naar school.)

Vraagzinnen
mod. ww (wil / mag) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet) — waar (naar school?)

Zinnen 2

3. Bevestigende zinnen.
Wie (De jongen) — mod. ww (wil / mag) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel / altijd /niet / geen/ nooit) — waar (naar school.)

Vraagzinnen
mod. ww (wil / mag) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel/ altijd /niet / geen/ nooit) — Waar (naar school?)

Zinnen 3

4. Bevestigende zinnen.
wie (De jongen) — mod. ww (wil / mag) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel/ altijd /niet / geen/ nooit) — Waar (op school) — Actie ww. ( eten.)

Vraagzinnen
mod ww (wil / mag) — Wie (de jongen) — Wanneer/ tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel/ altijd /niet / geen/ nooit) — Waar (op school) — Actie ww. (eten?)

Zinnen 4

5. Bevestigende zinnen.
Wie (De jongen) — mod. ww (wil / mag) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel/ altijd /niet / geen/ nooit) — Bz.vnw / Bijv.nw / Wat (zijn rode appel) — Waar ( op school) — Actie ww. (eten.)

Vraagzinnen
mod. ww (wil / mag) — Wie (de jongen) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel/ altijd /niet / geen/ nooit) — Bz.vnw / Bijv.nw / Wat (zijn rode appel) — Waar (op school) — Actie ww. (eten?)

Zinnen 5