9

Zinnen maken met modale werkwoorden.
Met Kennen en kunnen in enkelvoud en meervoud.
Het verschil met kennen en kunnen

Kennen = Weten wat je geleerd of wie je ontmoet hebt.
Voorbeeld: De jongens kennen de toets.

Kunnen = Iets wat je met je lichaam of je hoofd kunt doen.
Voorbeeld: De jongens kunnen goed voetballen.

Uitzondering met kennen / kunnen
Als er in een zin een plaats staat (met in, op of onder) of een specifiek ding met een bezit (van mijn, jouw, haar), dan zet je het woord wel of niet er altijd direct voor.

Voorbeeld: Wie (De jongens) - Mod.ww (kunnen) - Wanneer/Tijd (iedere avond) - Bij.w (niet) - Bz.vnw / Waar(onder hun douche) - Actie.ww (springen).
1. Bevestigende zinnen.
Wie (De jongen) — Mod.ww (ken / kan) — Bij.w (wel / niet.)

Vraagzinnen
Mod.ww(ken / kan) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet?) —

Zinnen 1

2. Bevestigende zinnen.
Wie (De jongen) — Mod.ww (ken / kan) — Bij.w (wel / niet/ geen) — Actie.ww (leren/ doen.)

Vraagzinnen
Mod.ww (Ken / kan) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet / geen) — Actie.ww (leren/ doen?)

Zinnen 2

3. Bevestigende en ontkennende zinnen.
Kennen / Kenden: Wie (De jongen) — Mod.ww (kent / kende) — Wat (de weg) — Waar / naar (naar school) — Bij.w (wel / niet).
Kunnen / Konden: Antw.part (Ja / nee) — Wie (De jongen) — Mod.ww (kan / kon) — Bijw. (wel / niet / geen) — Wat (de weg) — Waar / naar (naar school.)

Vraagzinnen
kennen / kenden:: Antw.part (Ja / nee) — Mod.ww (Kent / kende) — Wie (de jongen) — Wat (de weg) — Waar / naar (naar school) — Bij.w (wel / niet ?)
Kunnen / Konden: Mod.ww. (Kan / kon) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet / geen) — Wat (de weg) — Waar / naar (naar school.)

Zinnen 3

4. Bevestigende zinnen.
Kennen / Kenden: Wie (De jongen) — Mod.ww (kent / kende) — Wanneer / tijd (vandaag) — Wat (de weg) — Waar / naar (naar school) — Bij.w (wel / niet.)
Kunnen / Konden: Antw.part (Ja / nee) — Wie (de jongen) — Mod.ww (kan / kon) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel / niet / geen) — Wat (de weg) — Waar /naar (naar school) — Actie ww. (onthouden).

Vraagzinnen
Kennen / Kenden: Mod.ww (Kent / kende) — Wie (de jongen) — Wanneer/ tijd (vandaag om 10 uur) — Wat (de weg) — Waar/ naar (naar school) — Bij.w (wel / niet?)
Kunnen / Konden: Mod.ww (Kan / kon) — Wie (De jongen) — Wanneer/ tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel / niet / geen) — Wat (de weg) — Waar/ naar (naar school) — Actie ww. (vinden?)

Zinnen 4

5. Bevestigende zinnen.
Kennen / Kenden: Wie (De jongen) — Mod.ww (Kent / kende) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Wat (de weg) — Bz.vnw / waar/ naar (naar zijn school) — Bij.w ( wel / niet.) —
Kunnen / Konden: Wie (De jongen) — Mod.ww (kan / kon) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Wat (de koffie) — Bz.vnw / waar/ naar (in zijn huis) — Bij.w ( wel / niet) — Actie.ww (drinken)

Vraagzinnen
Kennen / Kenden: Mod.ww (Kent / kende) — Wie (de jongen) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — wat (de weg) — Bz.vnw/ Waar/ naar (naar zijn school) — Bij.w (Wel / niet?)
Kunnen / Konden: Mod.ww (Kent / kende) — Wie (de jongen) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Wat (de koffie) — Bz.vnw/ Waar/ naar (in zijn huis) — Bij.w (Wel / niet) — Actie.ww (drinken?

Zinnen 5