1. Bij de boer.
We zijn bij de boer.
Een geit, paard en koe staan in de wei.
Op het erf loopt een kat.
De boer heeft ook een lam.
Een lam van het schaap.
Ik geef melk aan het lam.
Dan geef ik hooi aan de koe.
De koe zegt, boe.
Hij smult van het hooi.
Ik doe het goed zegt de boer.
Ik help hem graag.
VRAAG 1 VAN 5