14. De koning gaat verhuizen
Kadoze, kaduize,
de koning gaat verhuizen.
Hij gaat om negen uur precies,
met al zijn gouden theeservies.
Zijn vorken en zijn glazen,
en al zijn duizend vazen.
En met zijn vogel trillepiep,
verhuizen in de jeep.
kadoze, kaduize,
de kooi met witte muizen!
De gouden troon, het gouden bad,
en de satijnen keukenmat.
De hemden en de jassen,
en de spiraalmatrassen.
kadoze, kaduize,
De vissen in de vissenkom,
de lepels in de turkse trom.
De koning zelf gaat bovenop,
en draagt de gouden kolenschop.
kadoze, kaduize,
de koning gaat verhuizen.
Maar ach, die arme koningin,
o jee, die kan er niet meer in!
Wat hindert dat? Het hindert niets!
De koningin gaat op de fiets.