5. De kast opruimen
U leest over twee vrouwen.
Een moeder en een dochter.
Ze ruimen een kast op.
Mijn moeder gooit niks weg.
Ze bewaart alles.
Maar nu verhuist ze.
Ze gaat naar een kleine kamer.
Niet alles kan mee.
Wij ruimen de kast op.
Mijn moeder zegt:
kijk hier, jouw pop.
Je vond hem zo lief.
Ik heb hem bewaard.
Al 50 jaar!
En kijk, deze schoenen!
Die zijn van jou.
Zo klein!
Je kon nog niet lopen.
Ik heb ze bewaard.
Al 50 jaar!
Mijn huis is niet groot.
Mijn kast is ook vol.
Toch neem ik ze mee:
mijn kleine schoenen,
en mijn oude pop.