7. Noor gaat naar de winkel
Het is een mooie dag.
Noor gaat naar de winkel.
Ze ziet een man.
Hij maakt muziek.
Noor wil een kar.
Er moet geld in.
Noor zoekt in haar tas.
Daar is een euro.
Ze doet het geld in de kar.
Noor is klaar.
Ze zet de kar weg.
Ze neemt de euro uit de kar.
Ze geeft de euro aan de man.
De muziek was mooi! zegt ze.
Dank je wel!